De Zwarte Dood: de pandemie die de wereld veranderde

De Zwarte Dood van de veertiende eeuw was de doodsteek voor het feodale systeem, dat al in verval was voordat de pest toesloeg. Op soortgelijke wijze toont de pandemie van COVID-19 nu aan dat het kapitalistisch systeem failliet en het socialisme noodzakelijk is.


[Source]

De huidige coronapandemie is werkelijk een gebeurtenis die de wereld verandert. De snelle en dodelijke verspreiding heeft op meedogenloze wijze overheden ontmaskerd, zorgsystemen tot het breekpunt gebracht en de diepste crisis van het kapitalisme sinds de jaren 1930 – als niet de diepste crisis ooit – in gang gezet.

Overal ter wereld zijn de levens van mensen onherkenbaar veranderd. Nu de eerste schok begint weg te ebben, komt er een enorme golf aan woede en afkeer van het kapitalistisch systeem en zijn instituten naar boven. Er heerst overal het diepe gevoel dat het leven nooit meer hetzelfde zal zijn.

Met zulke gebeurtenissen zijn commentatoren natuurlijk op zoek naar historische analogieën voor de periode die we nu ingaan. Voor velen komt de beste vergelijking niet uit de moderne tijd, maar uit de 14e eeuw. Toen trok er een dodelijke plaag door Europa en Azië die meer dan een derde van de bevolking van Europa doodde: de Zwarte Dood.

Deze analogie is hoogst significant – niet door overeenkomst in de biologische gevolgen van de pandemie van vandaag en de pest van toen, maar vanwege de enorme sociale consequenties die de plaag had.

De Zwarte Dood wordt gezien als de ergste natuurramp in de Europese geschiedenis, maar de impact die deze had op de samenleving ging ver voorbij de 14e eeuw. De processen die werden losgelaten of versneld door de verwoesting die de pest veroorzaakte, zouden op termijn de maatschappelijke betrekkingen compleet veranderen en uiteindelijk de basis leggen voor het moderne Europa.

Een nadere beschouwing van de Zwarte Dood – en diens effecten op de feodale maatschappij – is geen academische oefening. Ondanks alle belangrijke verschillen tussen de 14e en de 21e eeuw hebben ze één ding gemeen: beide zijn tijden van overgang, waarin een oude, verrotte orde begint te verbrokkelen terwijl nieuwe maatschappelijke krachten met alle macht proberen ter wereld te komen.

Wat was de Zwarte Dood?

Wat bekend werd als de Zwarte Dood was een pandemie die veroorzaakt werd door dodelijke varianten van de bacterie yersinia pestis, die leven in vlooien die gedragen worden door verscheidene knaagdieren in Azië en Afrika.

Tussen 1347 en 1351 trok deze pandemie langs de handelswegen van de Zijderoute naar China, het Midden-Oosten en Europa. Miljoenen mensen kwamen om. De pest zou op kleinere schaal periodiek terugkeren tot diep in de 18e eeuw.

De meest bekende variant was de builenpest, genoemd naar de ronde, zwarte builen die zich vormen doordat de lymfeklieren van het slachtoffer opzwellen. Tot wel 60% van de mensen die de ziekte kregen, stierven als gevolg. Deze variant komt vandaag de dag nog steeds voor in delen van China. Zo recent als afgelopen juli werd er nog een geval van builenpest gemeld in Binnen-Mongolië.

Nog dodelijker was de longpest, die door de lucht van mens op mens werd overgedragen en in tenminste 95% van de gevallen fataal was. Tenslotte was er de septische pest – veroorzaakt door infectie van het bloed – die veel minder vaak voorkwam, maar altijd fataal was.

Wat niet zo bekend is, is dat de komst van de Zwarte Dood in de 14e eeuw eigenlijk de tweede keer was dat de pest naar Europa kwam. De eerste pandemie trof het Oost-Romeinse Rijk in de 6e eeuw, toen keizer Justinianus probeerde het Westen te heroveren.

Er wordt gedacht dat ongeveer de helft van de Europese bevolking toen omkwam, wat bijdroeg aan het verval van het Oost-Romeinse Rijk en aan de donkere middeleeuwen in Europa.

Het is interessant hoe nauw beide pandemieën samenvielen met twee van de grootste omwentelingen in de Europese geschiedenis: de eerste met het verval en de ondergang van het Romeinse Rijk; de tweede met het verval van het feodalisme.

Ongetwijfeld zullen de sterfte en paniek die de pest veroorzaakten de samenleving op haar grondvesten hebben laten schudden: psychologisch, politiek en economisch.

Echter, om de transformatie te begrijpen die de Europese maatschappij doormaakte na de Zwarte Dood, moeten we niet alleen naar deze factor kijken. We moeten begrijpen hoe de samenleving in de 14e eeuw was georganiseerd en hoe de immense externe schok van de pandemie inwerkte op haar interne dynamiek.

De maatschappij in 1347

Het eerste punt om in gedachten te houden wanneer we de Europese samenleving in 1347 beschouwen, is dat ze op een compleet andere basis was ingericht dan de stedelijke, kapitalistische samenleving van vandaag. De grote meerderheid van de bevolking (tot 90% in Engeland) woonde en werkte op het platteland. De basiseenheid van de samenleving bestond niet in de fabriek of in de stad – hoewel er wel degelijk steeds rijkere middeleeuwse steden bestonden – maar in het feodale landgoed.

Het landgoed was in essentie een dorp, waarin boeren [Engels: peasant, onvrije agrariërs – vert.] land huurden van de ‘heer van het landgoed’. De boeren betaalden met een deel van hun product en met gedwongen arbeid op het ‘domein’ van de heer – het land dat hij direct bezat. Deze vorm van uitbuiting, die lijfeigenschap wordt genoemd, vormde de fundering waarop het hele feodale systeem rustte.

Onder het feodalisme was de machtigste klasse in de samenleving niet die van de bankiers en industriëlen die vandaag regeren. De industriële bourgeoisie bestond in deze tijd niet echt. De vaklieden in de gilden, die in de steden woonden en werkten, kwamen het meest in de buurt. Bankieren bestond slechts in een zeer primitieve vorm. De handelaren waren de sterkste en meest invloedrijke laag van de bourgeoisie, maar de ‘Gouden Eeuw’ van de handelaar-kapitalist was nog niet begonnen.

De heersende klasse bestond uit de militaire feodale adel en de kerk: “zij die vechten” en “zij die bidden”. Maar behalve dat ze bidden en vochten, bezaten de edellieden ook vrijwel al het land, behalve het gemeengoed zoals de bossen, etc.

Als bezitters van het belangrijkste productiemiddel dat er bestond – het land – hadden de priesters en edelen vanzelfsprekend een monopolie over de politieke, intellectuele en spirituele instituten van de samenleving.

Er bestond geen werkende klasse zoals wij die vandaag zouden herkennen. De werkers werkten ofwel voor zichzelf, ofwel ze waren onvrije boeren die werkten voor hun heer. Deze boeren heetten lijfeigenen, in het Engels serf, naar het Latijnse servus, wat slaaf betekent.

In plaats van de strijd tussen loonarbeiders en hun bazen over lonen, uren en werkomstandigheden, werd de klassenstrijd op het feodale platteland vooral gevoerd door de lijfeigenen, die streden voor bevrijding van dwangarbeid en voor lagere huren.

Dit systeem, hoe achterlijk het nu ook lijkt, speelde niettemin een progressieve rol in de verheffing van Europa uit de donkere middeleeuwen. Tussen de 10e en de 13e eeuw verdriedubbelde de Europese bevolking, tot ongeveer 80 miljoen mensen – het grootste aantal in bijna duizend jaar.

De interne handel binnen Europa, die in de donkere middeleeuwen bijna volledig was verdwenen, kwam langzaamaan terug, samen met de middeleeuwse steden en de bourgeoisie. Ondertussen bloeide de handel met Afrika en Azië weer op. Maar deze uitbreiding van de handel had als keerzijde dat de plaag zich snel naar en over het continent kon verspreiden.

Beperkingen van het feodalisme

Geen enkel maatschappelijk systeem is echter in staat om de samenleving voor eeuwig te blijven ontwikkelen. Op een gegeven moment veranderen de maatschappelijke betrekkingen die vooruitgang en ontwikkeling stimuleerden, in ketenen die verdere ontwikkeling belemmeren. De feodale samenleving had dit punt bereikt nog voordat de pest toesloeg.

Tegen het begin van de 14e eeuw had het feodale systeem zijn grenzen bereikt. Uitbreiding van de landbouw naar vers land – wat de productie en bevolkingsgroei had gestuwd – kwam teneinde. Daarmee begon het voedseloverschot, relatief aan de bevolking, te krimpen. De arbeidsproductiviteit, die in zijn ontwikkeling beperkt werd door het versnipperde productiesysteem van de landgoederen en door de overdadige consumptie van de heren, kon het gebrek aan land niet bijbenen.

De meerderheid van lijfeigen boeren werd armer en armer, terwijl de heren steeds meer druk uitoefenden. Een vreselijke hongersnood – de ergste in de Europese geschiedenis – trof heel Europa in 1307, waarbij 10-25% van de bevolking omkwam.

Nog erger was dat het land voor de boeren opraakte. Nu er geen vers land meer beschikbaar was, kwamen sommige zonen zonder erfenis te zitten, waardoor ze geen levensonderhoud hadden. Dit legde de basis voor een diepe sociale crisis. Robert Gottfried merkt in zijn boek The Black Death op:

“In het verleden werd aan de lijfeigene gegarandeerd dat hij het recht had – zogezegd – om een lijfeigene te zijn; na 1250 werd dit steeds moeilijker. Het oude systeem van de landgoederen was aan het afbrokkelen en de heren, die nu weinig leken te doen wat echt nuttig was, werden steeds rijker.” [onze vertaling]

Dit doet denken aan wat Marx en Engels schreven in het Communistisch Manifest: dat de maatschappij niet langer onder de bourgeoisie kan leven, “omdat zij niet in staat is haar slaaf het bestaan zelf binnen zijn slavernij te verzekeren”. De oude orde was al ziek. De pest gaf deze ziekte een tastbare en verschrikkelijke uiting.

De pest slaat toe

Men denkt dat de pest waarschijnlijk voor het eerst tevoorschijn kwam in de Gobi-woestijn in de jaren 1320. Mongoolse handelaren en ruiters droegen hem door heel Eurazië. In de jaren 1330 kwam de pest naar China en doodde hij ongeveer een kwart van de bevolking.

Toen trok de pest naar het westen, waarbij één kroniekschrijver opmerkte: “India werd ontvolkt; Tartarije, Mesopotamië, Syrië en Armenië waren met dode lichamen bedekt; de Koerden vluchtten tevergeefs naar de bergen.”

Zoals met de COVID-19-pandemie van vandaag, was Italië het eerste Europese land dat getroffen werd. Handelaren uit Genua – die handel dreven langs de kust van de Zwarte Zee – kwamen onbewust de pest tegen en namen hem mee naar huis en naar de rest van het Middellandse Zeegebied. Van hier verspreidde de pest zich naar zowel christelijk Europa als naar de moslimwereld.

Caïro was in die tijd één van de grootste steden ter wereld en werd bijzonder hard getroffen. Op het hoogtepunt van de pandemie stierven er wel 7.000 mensen per dag in Caïro. Het tekort aan doodskisten betekende dat vele mensen in massagraven werden gelegd, soortgelijk aan wat eerder dit jaar in New York gebeurde.

De beroemde historicus en geleerde, Ibn Ghaldoun, die zijn beide ouders verloor aan de pest, schreef toentertijd:

“De beschaving zowel in het Oosten als het Westen werd aangedaan door een vernietigende plaag die naties verwoestte en bevolkingen deed verdwijnen. Hij slokte vele goede dingen van de beschaving op en wiste ze uit...

“Het was alsof de wereldse stem van het bestaan riep om vergetelheid en begrenzing – en de wereld aan deze oproep gehoor gaf.” [onze vertaling]

Tegen het eind van de pandemie waren er in Caïro alleen al 200.000 mensen omgekomen – meer dan de totale bevolking van bijna elke christelijke stad uit die tijd. De verwoesting was zo groot dat zowel in het Oosten als het Westen vele steden hun bevolkingsaantallen van voor de pest niet meer zouden bereiken tot de 16e eeuw.

Wanhoop

Het is niet moeilijk om een voorstelling te maken van de verschrikkingen en wanhoop die zich van de samenleving meester maakten bij zulke apocalyptische taferelen, die schijnbaar uit het niets over de mensheid heen kwamen. Geen van de gebruikelijke maatregelen om ziekte te vermijden en behandelen – zoals baden – bood enige bescherming tegen de pest. Medici waren totaal machteloos tegen de ziekte.

De pest diende ook om de instituten van de kerk bloot te leggen. Tegen deze calamiteit, die door velen werd aangezien als een duidelijk teken van de toorn van God, had de spirituele bescherming van de kerk zich compleet ineffectief getoond.

Er waren veel gevallen van plaatselijke priesters die vluchtten om aan de pest te ontkomen en hun kudde in de steek lieten. Dit leidde tot veel wantrouwen en kritiek richting de gevestigde kerk – hoewel niet richting het Christendom of religie als zodanig – en tot het ontstaan van vele nieuwe religieuze bewegingen.

Één van die bewegingen was die van de flagellanten [zichzelf geselenden –vert.]. Deze verspreidde zich over Europa en was bijzonder sterk in de Duits- en Nederlandstalige wereld.

Flagellanten trokken van plaats naar plaats in groepen van 50 tot 300 gedurende 33-en-éénderde dag, wat symbool staat voor de tijd die Christus op aarde doorbracht. Gedurende die tijd was het ze verboden om te spreken, zich te wassen of in zachte bedden te slapen. Wanneer ze in een plaats arriveerden, knielden ze op de grond en geselden ze zichzelf om boete te doen voor de zonden van de mensheid, in de hoop dat dit de pest ten einde zou brengen.

In de vroege stadia van deze beweging werd de aankomst van een groep flagellanten vaak hartelijk verwelkomd door de inwoners, die hen zagen als de bezorgers van een ware spirituele bescherming tegen de pest – in tegenstelling tot de gevestigde kerk, die in diskrediet was gebracht. Naarmate de tijd vorderde, begon de beweging zich echter langs klassenlijnen te splitsen.

Onder de invloed van de arme massa’s die haar gelederen deden groeien, begon de beweging de vorm van een soort revolutionaire sekte aan te nemen. Veel flagellanten geloofden dat de oude Heilige Roomse Keizer, Frederik Barbarossa, weer tot leven gewekt zou worden, de geestelijken zou verdrijven en de rijken zou dwingen om met de armen te trouwen, waarop Christus zelf naar de aarde terug zou keren.

Deze ideeën zorgden voor afkeer, eerst bij de edelen, toen bij de meer respectabele bourgeoisie en uiteindelijk zelfs bij de beter gestelde boeren. Na verloop van tijd werd de beweging teruggebracht tot de armste en meest geruïneerde lagen van de maatschappij. Eenmaal geïsoleerd werden de overgebleven flagellanten later verpletterd door de staat.

Een ander product van de wanhoop die de pest veroorzaakte, was de golf van pogroms tegen Joden die op veel plekken in Europa plaatsvonden. Dit geweld kreeg in deze periode een verschrikkelijke omvang. Op veel plaatsen, vooral in de steden, werden Joden het mikpunt van ongeloofwaardige beschuldigingen zoals het opzettelijk verspreiden van de pest of het vergiftigen van drinkputten. Als gevolg werden er duizenden mensen afgeslacht.

De kerk en de feodale autoriteiten namen kleine maatregelen om de Joden te beschermen en verwierpen beschuldigingen tegen hen. Maar dit deed weinig om het tij te keren. Uiteindelijk was een grote migratie van Joden het gevolg. Op de vlucht voor vervolging trokken ze naar het oosten en in het bijzonder naar Polen, waar ze door koning Casimir III werden uitgenodigd om zich te vestigen.

Economische crisis

Bovenop de diepgaande psychologische en morele crisis die de pest teweegbracht, kwam de feodale economie tot stilstand. Dit betekende voor de heersende klasse een intense en langdurige crisis die belangrijke gevolgen zou hebben.

We vinden een goede indicator voor de schaal van de crisis in Engeland, waar de pest voor het eerst arriveerde in september 1348. In Cuxham Manor [manor is hier het woord voor landgoed –vert.] vlakbij Oxford, eigendom van het prestigieuze Merton College, leidde de dramatische bevolkingsafname ertoe dat er niemand meer was om op het landgoed van het College te werken. Dit zorgde voor een wijdverbreide daling van de huren, wat gevoeld werd in de inkomsten van het landgoed. Tegelijkertijd moesten er van buitenaf loonwerkers worden gehaald om voor hoge lonen het werk te doen.

Deze dubbele klap – binnen een context waarin de vraag naar en prijs van basisvoedsel zoals graan daalden – liet zich gelden in de ‘winst’ van de hoeve. Deze daalde van een gemiddelde £40 per jaar tot 1349, tot minder dan £11 in 1354-55, het eerste jaar na de Zwarte Dood waarin überhaupt winst werd genoteerd.

Er wordt geschat dat het inkomen van de feodale aristocratie als geheel in Engeland met meer dan 20% afnam tussen 1347 en 1353. Samen met de instorting van het landgoedsysteem zorgde het hoge sterftecijfer ervoor dat veel edele families geen mannelijke erfgenamen hadden, wat betekende dat veel voorheen grootse families simpelweg uitstierven.

De diepe crisis van de heersende klasse werd vergezeld door het begin van wat later bekend zou worden als de ‘Golden Age of the Labourers’. In 1349 werden op veel hoeves de lonen verdubbeld. In Cuxham Manor kreeg in 1350 een ploeger 10 shillings en 6 pence betaald voor werk dat in 1347 slechts 2 shillings zou hebben opgeleverd. Eenvoudige dagloners kregen zelfs lunches van “vleespastei en gouden bier” bovenop hun hogere lonen.

Maar niet alleen de arbeiders wonnen, als ze de pest tenminste overleefden. De crisis leidde ook tot drastische veranderingen in de omstandigheden en rechten van de boeren.

Er was weer volop land beschikbaar en de huren waren laag, wat betekende dat de boeren wellicht mobieler waren dan ooit tevoren. Het werd voor een boer mogelijk om zijn heer te verlaten en een andere te kiezen, die lagere huren en minder restricties bood. Lijfeigenschap was in deze context zowel onmogelijk als absurd.

Reactie en revolutie

Het mag geen verrassing heten dat de heersende klasse snel in actie kwam om te proberen terug te keren naar de oude ‘normaliteit’. In 1349 voerde Edward III een Statuut van Arbeid in, dat zogenaamd – vergeefs – de lonen vastpinde op het niveau van voor 1348.

De kerk, die heel goed wist wiens hand haar voedde, voegde zich bij het offensief van de landheren tegen pasteien en bier voor de arbeiders. In 1350 vaardigde de Aartsbisschop van Canterbury zijn effrenata cupiditas uit, die de ‘hebzucht’ veroordeelde van diegenen die extra geld vroegen voor ‘normale’ dienstverlening.

Een dergelijk overduidelijke en transparante botsing tussen de belangen van de heren en die van de boerenmassa’s leidde onvermijdelijk tot een immense tegenbeweging. De boeren en arbeiders realiseerden zich meer en meer dat de heren weinig meer waren dan parasieten, die alleen bestonden om hun arbeid te consumeren. Ze waren niet van plan om de vooruitgang, die ze in de onbeschrijfelijke pestjaren hadden gewonnen, weer uit handen te geven.

Aan de andere kant kon de heersende klasse deze toestanden niet tolereren. Niet alleen werd ze door de stijgende lonen en dalende huren in haar portemonnees geraakt, maar de opheffing van veel van de restricties en dwangarbeid van de boeren vormde een bedreiging voor meer dan alleen de financiën van haar hoeves – de gehele maatschappelijke orde, waarbovenop zij zetelde, stond op het spel.

Decennialang probeerde de heersende adel verbitterd de verbeteringen die gewone mensen genoten, terug te draaien – en de lijfeigenschap te herstellen. In Engeland voerde de koning in 1377 de infameuze Poll Tax in, die belasting eiste van iedere volwassene in het koninkrijk.

Deze belasting werd nog tweemaal geïnd, in 1378 en in 1381. Ze plaatste op boerenfamilies zulk een zware last dat velen de koning ervan beschuldigden dat hij de lijfeigenschap terug wilde brengen. De radicale predikant John Wycliffe veroordeelde de belasting en verklaarde: “Op deze manier eten en drinken de heren het vlees en bloed van de armen.”

In 1381 weigerden boeren in Essex de belasting te betalen, wat de vonk was die de Engelse Boerenopstand tot uitbarsting bracht. Een welvarende boer genaamd Wat Tyler leidde een leger naar Londen en riep op: “dood alle juristen en dienaren van de koning”.

Een andere leider van de opstand, de werkloze priester John Ball, riep op dat “alles gemeengoed zou moeten zijn, wij allen verenigd, en de heren niet meer meester dan wij”. Hij predikte tot de rebellen:

“When Adam delved and Eve span,

Who then was the gentleman?”

Deze egalitaire geest werd later opgepakt door de Diggers van de Engelse Revolutie, de meest radicale vleugel van de revolutionaire machten van Cromwell.

Toen de rebellen bij Southwark de Thames bereikten, lieten de massa’s van Londen de brug omlaag en hielpen ze hen om de stad in te nemen. Dit was een vroeg voorbeeld van het verbond tussen de bourgeoisie en de boeren dat later zo’n belangrijke rol zou spelen in de Engelse en Franse Revoluties. Nadat ze de Tower of London hadden ingenomen, onthoofdden de rebellen zelfs de gehate Aartsbisschop van Canterbury.

De rebellen verwoestten vervolgens de luxueuze woningen en paleizen van de adel langs Fleet Street, maar ze stalen bijna niets van de enorme rijkdom van hun vijanden. Ze verklaarden zichzelf “zeloten voor waarheid en rechtvaardigheid, geen dieven of rovers”. De meubels en juwelen van de heersende klasse werden de rivier in geworpen of afgebrand.

De jonge Richard II was gedwongen om toe te geven aan de rebellen. Hij beloofde een einde aan de lijfeigenschap, goedkoop land en vrije handel. Maar toen de rebellen eenmaal tevreden waren en op weg terug naar huis, liet hij ze afslachten.

Ondanks het feit dat de opstand zelf uiteindelijk werd verslagen, keerde de lijfeigenschap nooit terug in Engeland. En er zou geen Poll Tax meer worden geïnd tot het gefaalde experiment van Thatcher in 1989 – met soortgelijke resultaten.

Overgang

Het belang van de Engelse Boerenopstand kan niet worden overschat. Het einde van de lijfeigenschap betekende in feite het einde van het feodalisme. De oude orde was aan het sterven, maar er was nog geen nieuwe orde geboren. Dit was een periode van overgang, een “tijd van monsters” zoals Gramsci het stelde. En er is in de geschiedenis weinig geweest wat zo monsterlijk was als de Zwarte Dood.

De ontwikkelingen die door de Zwarte Dood werden verhevigd en versneld zouden de samenleving blijven transformeren in de 14e en 15e eeuwen. De late middeleeuwen werden het tijdperk van de welvarende, onafhankelijke boer. Ondertussen bleef de nutteloze feodale adelstand zichzelf uitputten in de Rozenoorlogen.

Geleidelijk werden de oude feodale dynastieën vervangen door een nieuwe klasse van landheren – vaak handelaren die zich ingekocht hadden bij de adel – die veel meer gefocust waren op geld verdienen dan op de kluchtige airs van hun voorgangers.

Op staatsniveau werden de verscheidene bureaucratische en geestelijke functies die vóór de pest voornamelijk door priesters waren bekleed, in toenemende mate overgenomen door een opkomende klasse van opgeleide burgers, juristen, etc.

Deze nieuwe relatie tussen de feodale monarchie en de stedelijke bourgeoisie werd alleen maar sterker naarmate de monarchie meer gecentraliseerd werd en afhankelijker van geld van rijke handelaren, zoals de familie de la Pole uit Hull.

Deze veranderingen, die geleidelijk verliepen, zouden uiteindelijk leiden tot de absolute monarchie van de Tudor-periode. Deze zou een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling van het kapitalisme.

In de 16e eeuw zouden de heren hun wraak krijgen tegen de vrije boeren en goed gevoede arbeiders van Engeland. Maar er was geen terugkeer naar de oude orde van 1347.

In plaats van de boeren ertoe te dwingen voor hen te werken, joeg de nieuwe klasse van landheren de boeren geheel van het land af. De velden werden veranderd in schapenweides, onderhouden door loonarbeiders en gericht op de wolmarkt.

Deze gewelddadige revolutie op het platteland vormde het begin van de kapitalistische landbouw. Tegelijkertijd creëerde ze een klasse van bezitloze paupers, die uiteindelijk de werkplaatsen en fabrieken van de Industriële Revolutie in gedwongen werd en de moderne arbeidersklasse vormde.

Vandaag

De parallellen tussen de Zwarte Dood en het heden zijn treffend. De dodelijke impact van de COVID-19-pandemie – hoewel alsnog schokkend – is gelukkig niet zo groot geweest als die van de Zwarte Dood. Niettemin troffen beide pandemieën maatschappelijke systemen die hun grenzen hadden bereikt en gaven ze aanleiding tot crises die dreigden de bestaande orde omver te werpen.

De Zwarte Dood was niet de oorzaak van de crisis van het feodalisme, die al begonnen was decennia voordat yersinia pestis ontsnapte uit de Gobi-woestijn. Op soortgelijke wijze heeft COVID-19 de huidige crisis van het kapitalisme niet veroorzaakt.

Beide waren echter enorme externe schokken die dienden om alle tegenstrijdigheden die zich onder het oppervlak van de maatschappij ontwikkelden, bloot te leggen en te verergeren. Ze waren beide historische ‘toevalligheden’ die een krachtige uiting gaven aan de noodzakelijke gang van de geschiedenis.

De overeenkomsten houden daar niet op. Net zoals in de 14e eeuw zal de heersende klasse alles doen wat ze kan om zich te herstellen over de rug van de werkende klasse, middels bezuinigingen en repressie. Maar net als in de 14e eeuw zijn ook massa-opstanden tegen dit offensief onvermijdelijk.

Er kan geen sprake zijn van een terugkeer naar het oude ‘normaal’. Zoals eerder is gebeurd, gaat de oude orde ten onder en probeert ze de mensheid met zich mee te sleuren. Maar vandaag de dag staat er een nieuwe orde klaar om de oude te vervangen, en strijdt zij om geboren te worden. De worstelingen die vandaag losbarsten – zoals die van Black Lives Matter – zijn de voorschokken van de revolutionaire opstand van de werkende klasse.

De werkers van vandaag zijn de afstammelingen van de rebelse boeren van 1381, die de vrijheid wonnen die van latere generaties weer werd afgepakt. In het gevecht tegen het kapitaal erven wij hun strijd om de visie van John Ball te realiseren – dat er geen heren of meesters meer zijn, en dat allen in vrijheid en gelijkheid kunnen leven.